Securimed derde betaler
  • Eerste tariferingsdienst van derde-betaler voor geneesheer-specialisten en tandartsen
  • Nazicht van de verzekerbaarheid van patiënten
  • Juridische bijstand in geval van vervolging door de DGEC (Dienst voor Geneeskundige Controle van het RIZIV)
  • Opvolging van betalingen door de VI

KB van 18 september 2015 (BS 23/9/2015)

24/09/2015 by admin
NL FR

einde

Publicatie : 2015-09-23
Numac : 2015022338

FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

18 SEPTEMBER 2015. – Koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 53, § 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, betreffende de derdebetalersregeling

FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 53, § 1, dertiende lid, veertiende lid, 1° en negentiende lid, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 juli 2015 houdende diverse bepalingen in zake gezondheid;
Gelet op het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 tot uitvoering van artikel 53, § 1, negende lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
Gelet op het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
Gelet op het voorstel van de nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen van 2 maart 2015;
Gelet op het advies van de Commissie voor Begrotingscontrole, gegeven op 27 mei 2015;
Gelet op het advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging, gegeven op 1 juni 2015;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 19 juni 2015;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 9 juli 2015;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving, uitgevoerd overeenkomstig artikels 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op het advies 58.038/2/V van de Raad van State, gegeven op 14 september 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken, en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK I. – Algemene bepalingen
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder « gecoördineerde wet van 14 juli 1994 », de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. 2. De derdebetalersregeling wordt toegepast op het vlak van de verzekeringsinstelling, behoudens indien de verzekeringsinstelling hiertoe uitdrukkelijk mandaat verleent aan haar verbonden of gewestelijke diensten.
HOOFDSTUK II. – Voorwaarden voor toepassing derdebetalersregeling
Art. 3. § 1. De toepassing van de derdebetalersregeling wordt afhankelijk gemaakt van de verificatie van de identiteit van de rechthebbende op het ogenblik van de verstrekking.
Inzake de verstrekkingen verleend door een algemeen geneeskundige aan een rechthebbende waarvan hij het globaal medisch dossier beheert, wordt gevolg gegeven aan de verplichting bedoeld in het vorig lid door de verificatie van de identiteit van de rechthebbende op het ogenblik van opening of verlenging van het globaal medisch dossier.
§ 2. Wanneer de gegevens, in toepassing van artikel 53, § 1, tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, via een elektronisch netwerk worden overgemaakt aan de verzekeringsinstellingen overeenkomstig artikel 9bis van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, gebeurt de verificatie van de identiteit door de elektronische lezing van de geldige Belgische elektronische identiteitskaart, van de geldige elektronische vreemdelingenkaart, van een geldig elektronisch verblijfsdocument, die gelden als bewijs van inschrijving in de bevolkingsregisters, van een geldige ISI+-kaart, beoogd in artikel 2 van de wet van 29 januari 2014 houdende bepalingen inzake de sociale identiteitskaart en de ISI+-kaart, van een nog geldige sociale identiteitskaart, of van het identificatienummer van de sociale zekerheid met een vignet met streepjescode waarvan het model wordt vastgelegd bij verordening bedoeld in artikel 22, 11° van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
Het identificatienummer van de sociale zekerheid bedoeld in het vorige lid mag slechts worden gebruikt in de gevallen dat de rechthebbende niet aanwezig is tijdens de verstrekking en de gelijktijdige aanwezigheid van de rechthebbende en de zorgverlener niet reglementair wordt vereist, of in de gevallen van overmacht.
De verplichting bedoeld in huidige paragraaf ontstaat voor elke categorie van zorgverleners op de datum, vastgesteld door de Koning, waarop, voor de betrokken categorie van zorgverleners, de elektronische lezing bedoeld in het eerste lid toepasbaar is.
§ 3. Wanneer de documenten, in toepassing van artikel 53, § 1, vijfde lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, niet worden overgemaakt aan de verzekeringsinstellingen via een elektronisch netwerk, gebeurt de verificatie van de identiteit van de rechthebbende door de voorlegging aan de zorgverlener van de documenten bedoeld in paragraaf 2.
Het vorig lid is ook toepasselijk voor een categorie van zorgverleners wanneer de gegevens, in toepassing van artikel 53, § 1, tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, via een elektronisch netwerk worden overgemaakt aan de verzekeringsinstellingen, maar de elektronische lezing bedoeld in § 2, eerste lid nog niet toepasbaar werd verklaard door de Koning voor de betrokken categorie van zorgverleners.
In afwijking van paragraaf 1, is de verificatie van de identiteit niet vereist, indien de documenten niet worden overgemaakt aan de verzekeringsinstellingen via een elektronisch netwerk, wanneer een vertrouwensrelatie vastgesteld is tussen de rechthebbende en de individuele zorgverlener of indien de identiteit van de rechthebbende wordt vastgesteld aan de hand van het identificatienummer van de sociale zekerheid vermeld op het vignet met streepjescode in de gevallen bedoeld in § 2, tweede lid.
§ 4. Een geldig attest van sociaal verzekerde kan gebruikt worden in de gevallen zoals bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 26 februari 2014 tot uitvoering van de wet van 29 januari 2014 houdende bepalingen inzake de sociale identiteitskaart en de ISI+-kaart.
HOOFDSTUK III. – Betaling
Art. 4. § 1. In geval de zorgverlener de gegevens, overeenkomstig artikel 53, § 1, tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, overmaakt aan de verzekeringsinstellingen via een elektronisch netwerk, geschiedt de betaling binnen de twee weken te rekenen van de ontvangst door de verzekeringsinstelling van de gegevens.
Voor de zorgverleners die de facturatiegegevens overmaken aan de verzekeringsinstellingen via magnetische drager en voor de verplegingsinrichtingen en de laboratoria voor klinische biologie, geschiedt de betaling binnen de twee maanden na het einde van de maand tijdens dewelke de stukken die nodig zijn voor de facturering door de verzekeringsinstelling werden ontvangen. Hetzelfde geldt voor de zorgverlener die de documenten, overeenkomstig artikel 53, § 1, vijfde lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, nog niet overmaakt aan de verzekeringsinstellingen via een elektronisch netwerk en de facturatiegegevens ook niet overmaakt aan de verzekeringsinstellingen via magnetische drager, met uitzondering voor de algemeen geneeskundige waarvoor de betaling geschiedt binnen de dertig dagen volgend op de dag waarop de stukken door de verzekeringsinstelling werden ontvangen.
Elke overeenkomsten- of akkoordencommissie kan, voor de betrokken categorie van zorgverleners, een andere, kortere, betaaltermijn vaststellen.
§ 2. Bij laattijdige betaling is de verzekeringsinstelling op eenvoudig verzoek een verwijlintrest verschuldigd ten belope van de wettelijke intrestvoet in burgerlijke zaken op de datum waarop de betaaltermijn verstreek.
Deze verwijlintresten lopen vanaf de eerste dag na het verstrijken van de betaaltermijn.
Deze verwijlintresten worden geboekt op de administratiekosten van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut als de vertraging toe te schrijven is aan het laattijdig of onvoldoende overmaken van de maandelijkse voorschotten bedoeld in artikel 202 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
HOOFDSTUK IV. – Betalingsverplichtingen
bij raadpleging verzekerbaarheidsgegevens rechthebbende
Art. 5. Het leveren van het elektronisch bewijs van het gebruik van een elektronisch netwerk overeenkomstig een methodologie vastgesteld door het Beheerscomité van het eHealth-platform en de toepassing van de derdebetalersregeling in het kader van een elektronische facturering zoals bedoeld in artikel 53, § 1, tweede lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, overeenkomstig de verzekerbaarheidsgegevens en, voor wat betreft een algemeen geneeskundige, overeenkomstig de tarieven, verkregen door middel van de raadpleging van het voormelde netwerk, geldt als betalingsverplichting door de verzekeringsinstelling van het gedeelte dat niet ten laste valt van de sociaal verzekerde.
Deze betalingsverplichting geldt voor de volledige duur van de kalendermaand waarin het netwerk werd geraadpleegd. Nochtans kan de overeenkomsten- of akkoordencommissie voor elke betrokken categorie van zorgverleners een andere termijn vaststellen.
Het in het eerste lid vermelde elektronisch bewijs kan worden vervangen door een ander bewijs, in de gevallen waar het elektronisch bewijs niet kan worden geleverd. Het Verzekeringscomité bepaalt de gevallen nader waarin een ander dan elektronisch bewijs kan worden toegelaten en stelt de modaliteiten van dit bewijs vast.
De zorgverleners zijn ertoe gehouden om voor deze raadpleging van het elektronisch netwerk de rechthebbende te identificeren op de wijze zoals bepaald in artikel 3.
De zorgverleners mogen, na zich te hebben gelegitimeerd, door middel van het elektronisch netwerk, slechts de verzekerbaarheidsgegevens van de rechthebbende raadplegen in zoverre deze raadpleging noodzakelijk is voor de vervulling van hun verplichtingen in het raam van de derdebetalersregeling. De zorgverleners kunnen, onder hun verantwoordelijkheid en volgens de modaliteiten omschreven door het Verzekeringscomité, aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon volmacht geven om deze raadpleging in hun naam en voor hun rekening te doen.
HOOFDSTUK V. – Geneeskundige verstrekkingen
waarvoor toepassing derdebetalersregeling verplicht is
Art. 6. Het toepassen van de derdebetalersregeling is verplicht voor het betalen van:
a) de verzekeringstegemoetkoming in de verpleegdagprijs en de hiermee gelijkgestelde verstrekkingen;
b) de verzekeringstegemoetkoming in de kosten van alle geneeskundige verstrekkingen die verleend worden tijdens een hospitalisatie;
c) de verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de verstrekkingen 450192 en 450214 in het kader van de georganiseerde mammografische borstkankerscreening zoals bedoeld in artikel 17, § 1, 1° bis van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Art. 7. De toepassing van de derdebetalersregeling is verplicht voor het betalen van de verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen die verleend worden door algemeen geneeskundigen aan de rechthebbenden beoogd in artikel 37, § 19 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994.
Het eerste lid is niet van toepassing:
1° voor het betalen van de verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen opgenomen op de lijst in bijlage van dit besluit;
2° in geval een verstrekking wordt verleend tijdens een bezoek opgenomen op de lijst in bijlage van dit besluit.
HOOFDSTUK VI. – Geneeskundige verstrekkingen waarvoor
toepassing derdebetalersregeling verplicht is op vraag van rechthebbende
Art. 8. De toepassing van de derdebetalersregeling is verplicht indien de rechthebbende uitdrukkelijk verzoekt om de toepassing van die regeling voor het betalen van de verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de verstrekkingen vermeld onder de nummers 102771, 102395 en 102852 in artikel 2 van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1984.
HOOFDSTUK VII. – Geneeskundige verstrekkingen
waarvoor toepassing derdebetalersregeling mogelijk is
Art. 9. De derdebetalersregeling kan, onder de modaliteiten zoals die zijn vastgesteld bij de in titel III, hoofdstuk V van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde akkoorden en overeenkomsten, of bij gebrek aan dergelijke akkoorden of overeenkomsten, bij bijzonder contract tussen een door de verzekeringsinstellingen aangeduid gemeenschappelijk secretariaat en de persoon die de geneeskundige verstrekkingen verricht, steeds worden toegepast voor de verzekeringstegemoetkoming in de kost van alle geneeskundige verstrekkingen.
In afwijking van het eerste lid, is het toepassen van de derdebetalersregeling, onder voorbehoud van artikel 6, 7 en 8, verboden voor de betaling van de verzekeringstegemoetkoming:
1° in de kosten van alle geneeskundige verstrekkingen bedoeld in hoofdstuk II van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1984;
2° in de overeenkomstig de bepalingen van artikel 50 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 vastgestelde reiskosten;
3° in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen vermeld onder de nummers 0401-301011 en 0404-301033 in artikel 5, § 2 van de bijlage bij het vorenbedoelde koninklijk besluit van 14 september 1984;
4° in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen, vermeld onder de codenummers die zijn opgenomen in de rubriek « PREVENTIEVE BEHANDELINGEN » in artikel 5, § 2 van de bijlage bij het voornoemd koninklijk besluit van 14 september 1984;
5° in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden en vermeld onder de titel « Conserverende verzorging » in artikel 5, § 2 van de bijlage bij bovengenoemd koninklijk besluit van 14 september 1984;
6° in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden en vermeld onder de titel « Radiografieën » in artikel 5, § 2 van de bijlage bij bovengenoemd koninklijk besluit van 14 september 1984.
De bepalingen van het tweede lid zijn evenwel niet van toepassing wanneer deze geneeskundige verstrekkingen verleend werden:
1° in het kader van een akkoord bedoeld in artikel 52 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
2° in centra voor geestelijke gezondheidszorg, centra voor gezinsplanning en sexuele voorlichting en centra voor opvang van toxicomanen;
3° in inrichtingen gespecialiseerd in het verzorgen van kinderen, bejaarden of mindervaliden;
4° aan rechthebbenden die tijdens de behandeling overlijden of zich in comateuze toestand bevinden;
5° aan de rechthebbenden die zich in een occasionele individuele financiële noodsituatie bevinden, behoudens in geval van geneeskundige verstrekkingen vermeld in artikel 5, § 2 van de bijlage bij het vorenbedoelde koninklijk besluit van 14 september 1984;
6° aan de rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
7° aan gerechtigden en aan de personen te hunnen laste die, omdat het jaarlijks bruto belastbaar gezinsinkomen niet hoger is dan het bedrag bedoeld in artikel 14 § 1, 3°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, vrijgesteld zijn van bijdrageplicht overeenkomstig artikel 134 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
8° aan de rechthebbenden die voor het toepassen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecontroleerde werklozen zijn, die sedert ten minste zes maanden de hoedanigheid hebben van volledig werkloze als bedoeld in de reglementering betreffende de werkloosheid en in de zin van laatstgenoemde reglementering de hoedanigheid hebben van werknemer met gezinslast of van alleenstaande, alsmede de personen die te hunnen laste zijn;
9° aan de rechthebbenden die voldoen aan de medisch-sociale voorwaarden om recht te geven op de verhoogde kinderbijslag overeenkomstig artikel 47 van de algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 en van de personen die te hunnen laste zijn;
10° aan de rechthebbenden op het statuut chronische aandoening, bedoeld in artikel 37vicies/1 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
11° aan palliatieve thuispatiënten in de zin van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmateriaal en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
De toepassing van de derdebetalersregeling is evenmin verboden voor de verstrekkingen 109045, 109060 en 109082.
De toepassing van de derdebetalersregeling is evenmin verboden wanneer de verstrekkingen worden geleverd in het kader van een georganiseerde wachtdienst zoals bedoeld in artikel 28 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen of van een huisartsenwachtdienst georganiseerd overeenkomstig afdeling II van Hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen.
HOOFDSTUK VIII. – Kwijting of ereloonnota
Art. 10. Behoudens indien in het nationaal akkoord tandheelkundigen-ziekenfondsen andere modaliteiten zijn vastgesteld, is de tandheelkundige die de derdebetalersregeling toepast ertoe gehouden op het ogenblik van de raadpleging of van de verstrekking of, indien het getuigschrift betrekking heeft op verschillende verstrekkingen, ten laatste op het ogenblik dat hij het getuigschrift voor verstrekte hulp opstelt voor de verzekeringsinstelling, aan de rechthebbende een kwijting of ereloonnota af te leveren met vermelding van het bedrag dat ten laste dient te worden genomen door de patiënt en van het bedrag dat ten laste dient te worden genomen door de verzekeringsinstelling.
Deze kwijting of ereloonnota moet de verstrekkingen vermelden met verwijzing naar het nummer van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, bedoeld in artikel 35 van de voornoemde gecoördineerde wet evenals de datum waarop de verstrekking werd verleend.
De tandheelkundige dient een dubbel van de kwijting of ereloonnota te bewaren in het dossier van de rechthebbende.
Het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging kan, na advies van de nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, een verplicht model van kwijting of ereloonnota opstellen.
HOOFDSTUK IX. – Voorwaarden tot individueel
verbod op toepassing derdebetalersregeling
Art. 11. § 1. De Leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, of de door hem aangewezen ambtenaar, kan, middels een ter post aangetekend schrijven, een verbod opleggen tot toepassing van de derdebetalersregeling zoals bedoeld in hoofdstuk VII:
1) in geval van een definitieve strafrechtelijke veroordeling, die verband houdt met onregelmatigheden ten laste van de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
2) in geval van een definitieve beslissing tot schorsing van het recht om de geneeskunst uit te oefenen van ten minste 15 dagen, uitgesproken door de bevoegde raad van de Orde der geneesheren, verband houdend met een ongeoorloofde verdeling van erelonen of overconsumptie.
§ 2. De Leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of de door hem aangewezen ambtenaar, en de Kamer van Eerste Aanleg ingesteld bij de voormelde Dienst kunnen een verbod opleggen tot toepassing van de derdebetalersregeling zoals bedoeld in hoofdstuk VII als begeleidende maatregel in de gevallen waarin zij in toepassing van respectievelijk artikel 143 en 144 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 kennisnemen van de inbreuken bedoeld in artikel 73bis van de voormelde wet.
HOOFDSTUK X. – Opheffingsbepalingen
Art. 12. Het koninklijk besluit van 10 oktober 1986 tot uitvoering van artikel 53, § 1, 9e lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 2013, wordt opgeheven.
Art. 13. Artikel 159bis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 5 juni 2008 en 26 februari 2014, wordt opgeheven.
HOOFDSTUK XI. – Inwerkingtreding
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2015.
Voor de verpleegkundigen treedt artikel 4 § 1, eerste lid evenwel in werking op 1 oktober 2016. Tot en met 30 september 2016 geldt voor de verpleegkundigen de betaaltermijn voorzien in artikel 4 § 1, tweede lid.
Art. 15. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 18 september 2015.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Mevr. M. DE BLOCK

Bijlage aan het koninklijk besluit van 18 september 2015 tot uitvoering van artikel 53, § 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, betreffende de derdebetalersregeling

103110 Bezoek door een huisarts op basis van verworven rechten
104510 Bezoek afgelegd tussen 18 en 21 uur door een huisarts op basis van verworven rechten
104532 Bezoek afgelegd tussen 21 en 8 uur door een huisarts op basis van verworven rechten
104554 Bezoek afgelegd zaterdags, zondags of op een feestdag tussen 8 en 21 uur door een huisarts op basis van verworven rechten
103213 Bezoek door een huisarts op basis van verworven rechten, naar aanleiding van eenzelfde reis voor twee rechthebbenden
103235 Bezoek door een huisarts op basis van verworven rechten, naar aanleiding van eenzelfde reis voor meer dan twee rechthebbenden
104635 Toeslag voor een bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor meerdere patiënten door de huisarts op basis van verworven rechten (103213, 103235) wanneer het bezoek tussen 18 en 21 uur wordt afgelegd
104613 Toeslag voor een bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor meerdere patiënten door de huisarts op basis van verworven rechten (103213, 103235) wanneer het bezoek tussen 21 en 8 uur wordt afgelegd
104591 Toeslag voor een bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor meerdere patiënten door een huisarts op basis van verworven rechten (103213, 103235) wanneer het bezoek zaterdags, zondags of op een feestdag tussen 8 en 21 uur wordt afgelegd
103132 Bezoek door de huisarts
104215 Bezoek afgelegd tussen 18 en 21 uur door de huisarts
104230 Bezoek afgelegd tussen 21 en 8 uur door de huisarts
104252 Bezoek afgelegd zaterdags, zondags of op een feestdag, tussen 8 en 21 uur, door de huisarts
103412 Bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor twee rechthebbenden door de huisarts
103434 Bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor meer dan twee rechthebbenden door de huisarts
104333 Toeslag voor een bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor meerdere patiënten door een huisarts (103412, 103434) wanneer het bezoek tussen 18 en 21 uur wordt afgelegd
104311 Toeslag voor een bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor meerdere patiënten door een huisarts (103412, 103434) wanneer het bezoek tussen 21 en 8 uur wordt afgelegd
104296 Toeslag voor een bezoek naar aanleiding van eenzelfde reis voor meerdere patiënten door een huisarts (103412, 103434) wanneer het bezoek zaterdags, zondags of op een feestdag tussen 8 en 21 uur wordt afgelegd

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 18 september 2015 tot uitvoering van artikel 53, § 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, betreffende de derdebetalersregeling.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
Mevr. M. DE BLOCK

begin

Publicatie : 2015-09-23
Numac : 2015022338

No Comments »

Nieuw artikel 53 van de VGVU wet — Vervolg

03/09/2015 by Dr R. BOURGUIGNON

Talrijke geneesheren waren onthutst door de brief van de VBS e-specialist n°525 en hebben ons gecontacteerd om te weten hoe precies ze zich moeten opstellen betreffende de nieuwe GVVH en de « financiële transparantie », vooral in het derdebetaler stelsel.

U zal hieronder de antwoorden vinden van onze Dienst op de belangrijkste vragen :

a) Deel « Ontvangstbewijs » van de nieuwe GVVH mod. A of E gebruikt door rechtspersonen

Het gedeelte « Ontvangstbewijs » van de nieuwe GVVH mod A of E — uniform model voor natuurlijke en rechtspersonen — mag niet vermengd worden met « financiële transparantie »… alleszins niet helemaal.

De strook « Ontvangstbewijs » interesseert vooral de fiscus (via de gele dubbels die in de boekjes overblijven) en bijkomstig de patiënt.

Het spreekt voor zich dat de strook « Ontvangstbewijs » enkel ingevuld moet worden als de betaling cash voldaan werd.

A fortiori, als er geen cash betaling plaatsvond (bijvoorbeeld in geval van technische handelingen ingevoerd via derdebetaler met afstand van het RG), moet de strook « Ontvangstbewijs » niet ingevuld worden (en nog minder moet men op de oude modellen GVVH, die nog tot in 2016 geldig blijven, proberen een ontvangstbewijs aan te maken… zie volgend punt).

b) Oude GVVH mod. C of F en verplichtingen om een bedrag op te schrijven

Het RIZIV stuurt omzendbrieven per e-mail — aan hen die erom gevraagd hebben — waarin ze aandringt op de noodzakelijkheid om een bedrag in te vullen onderaan op de oude GVVH mod. C of F.

Opnieuw, dit kan enkel betrekking hebben op de cashbetalingen (en niet op de girale betalingen), omdat dit erop neerkomt dat men een soort « Ontvangstbewijs » zou aanmaken dat onbestaande is op de oude modellen.

Iedereen doet wat hij wil, maar onze Dienst kan het idee niet goedkeuren dat men een nul zou schrijven en een soort « Ontvangstbewijs » zou aanmaken daar waar er geen is.

De zin van VBS (e-specialist n° 525) : In tegenstelling tot het principe dat wil dat het getuigschrift voor verstrekte hulp geen niet-voorgeschreven vermeldingen mag bevatten, en in de overgangsfase tot wanneer de nieuwe modellen van getuigschrift vlot ter beschikking zullen zijn (uiterlijk tot en met 30 juni 2016), moet de arts deze gegevens (met name het KBO nr en het « totaal ontvangen bedrag ») op het getuigschrift voor verstrekte hulp aanvullen heeft menigeen laten rechtveren !

Wij delen deze mening niet en de ziekenfondsen bevestigen — vooralsnog — dat het uitblijven van vermeldingen op de oude modellen C of F geen reden tot verwerping zal zijn.

De richtlijn van het VBS lijkt ons voort te komen uit een verkeerde interpretatie van de wet (en ook door de overdadige invloed van het RIZIV op het verbond).

Het (nieuw) artikel 53 van de VGVU wet voorziet inderdaad :

Ongeacht of de zorgverlener de verstrekkingen verricht voor eigen of voor andermans rekening, wordt op het deel ontvangstbewijs van het getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of het gelijkwaardig document, het bedrag vermeld.

De VGVU wet is van openbare orde en kan enkel strikt geïnterpreteerd worden : indien een GVVH van een oud model C of F geen « Strook Ontvangstbewijs » heeft, zien wij niet hoe een bedrag kan ingevuld worden.

Ter herhaling, in geval van toepassing van derde betaler met afstand van het RG dient er zeker geen bedrag vermeld te worden op het GVVH !

c) Financiële transparantie en « bewijsstuk »

De « financiële transparantie » is een heel andere zaak, die nog veel inkt zal laten vloeien : zij interesseert eerst en vooral de patiënt (in de veronderstelling dat hij op de hoogte is) en vervolgens de fiscus, via de internet kanalen die nog aangemaakt moeten worden.

Men spreekt niet meer van « Ontvangstbewijs », maar van « bewijsstuk » : het verschil tussen betaalde bedragen in cash of via de bank bestaat niet meer.

Samengevat, het idee is dat in de toekomst elke patiënt, via een PIN code, toegang zou krijgen tot zijn persoonlijk dossier bij het ziekenfonds en zo de aangegeven bedragen zou kunnen vergelijken met de werkelijk betaalde bedragen ; dit allemaal zal natuurlijk pas mogelijk zijn binnen enkele jaren…

Dit gezegd zijnde, het volstaat om artikel 53 van de VGVU wet te lezen om te begrijpen dat de verplichtingen van de zorgverlener in zake « financiële transparantie » verre van verwaarloosbaar zijn.

Het is echter mogelijk om zich het leven te vergemakkelijken door een voorgedrukt papieren formulier te gebruiken waarop men de pertinente vakjes zou aanvinken.

Het is aanbevolen om een kopie van dit document te bewaren in het patiëntendossier, met eventueel een validering « voor akkoord » door deze laatste.

Het zal niemand ontgaan zijn dat de bedoeling van de regering Michel eruit bestaat om de patiënten te laten waken over de oprechtheid van de fiscale aangiftes van geneesheren en tandartsen met behulp van internet platformen aangemaakt door de ziekenfondsen…

No Comments »

Nieuw artikel 53 van de VGVU wet

31/08/2015 by Dr R. BOURGUIGNON

De wet van 17 juli 2015 « wet houdende diverse bepalingen inzake gezondheid » werd in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 17 augustus.

Zij treedt in voege op 27 augustus, ze is echter met terugwerkende kracht van toepassing… vanaf 1 juli 2015 : dit betekent concreet dat de geneesheren en tandartsen de verplichtingen die deze wet oplegt al moesten opvolgen nog voor ze gestemd werd door het Parlement !

De integrale tekst van deze wet (in « beeld »versie zoals gepubliceerd in het BS) kan in PDF formaat gedownload worden op het einde van de pagina, maar u zal hieronder de tekst vinden van het nieuwe artikel 53 van de VGVU wet, het beduidendste met betrekking tot de erelonen.

We zullen deze tekst uitvoeriger bespreken in een volgend News, maar het is aangewezen om nu al het verschil te onderlijnen tussen de nieuwe verplichtingen en de « financiële transparantie » ten aanzien van de patiënten enerzijds, en de nieuwe verplichtingen van fiscale aard anderzijds. Aldus is de fiscus niet geïnteresseerd – alleszins niet rechtsteeks – om alle details van de verstrekkingen en hun bedragen te kennen.

De verplichtingen ten aanzien van de patiënten zijn veraanschouwelijkt in een « bewijsstuk » (vroeger « kwijtschrift ») waarvan er tot op heden geen enkel officieel model bestaat, daar waar de verplichtingen ten aanzien van de fiscus veraanschouwelijkt worden in het eeuwigdurende « Ontvangstbewijs », dat thans het KBO nummer uitwijst van het natuurlijk persoon of van het rechtspersoon dat de erelonen int.

Zoals men al weet, de GVVH van rechtspersonen (ex model C of F zonder strook « Ontvangstbewijs ») worden vervangen door een nieuw uniform model per categorie van zorgverleners (geneesheren, tandartsen, verplegers, enz) : zie Reglement van het Verzekeringscomité van 22 juni 2015.

Er dient te worden opgemerkt dat sommige bepalingen van de wet niet gesanctioneerd worden.

Art. 53.(53)(§ 1.) De zorgverleners van wie de verstrekkingen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verzekering zijn ertoe gehouden aan de rechthebbenden of, bij toepassing van de derdebetalersregeling, aan de verzekeringsinstellingen, een getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of een gelijkwaardig document uit te reiken waarvan het model door het Verzekeringscomité wordt vastgesteld, waarop de verrichte verstrekkingen zijn vermeld; verstrekkingen opgenomen in de in artikel 35, § 1, bedoelde nomenclatuur, worden vermeld met hun rangnummer in de genoemde nomenclatuur (of op de manier die is vastgesteld in een verordening die door het Verzekeringscomité is genomen op voorstel van de volgens de aard van de verstrekkingen bevoegde Technische Raad). [4 Ongeacht of de zorgverlener de verstrekkingen verricht voor eigen of voor andermans rekening, wordt op het deel ontvangstbewijs van het getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of het gelijkwaardig document, het bedrag vermeld dat door de rechthebbende aan de zorgverlener werd betaald voor de verrichte verstrekkingen. Van zodra een overeenkomst of een akkoord een regeling van elektronische facturatie door zorgverleners heeft vastgesteld, stelt de Koning, op voorstel van het Verzekeringscomité en na advies van de bevoegde overeenkomsten- of akkoordencommissie, de bijkomende gegevens vast die door de zorgverleners aan de verzekeringsinstellingen worden overgemaakt.]4 <W 1999-01-25/32, art. 125, 038; Inwerkingtreding : 16-02-1999> <W 2005-12-27/30, art. 73, 114; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
[5 Bij toepassing van de derdebetalersregeling, en onverminderd de krachtens artikel 320 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vastgestelde verplichtingen, worden de in het eerste lid bedoelde documenten vervangen door een gegevensoverdracht door de zorgverlener aan de verzekeringsinstellingen door middel van een elektronisch netwerk, volgens de door het Verzekeringscomité vastgestelde administratieve nadere regels.
De Koning stelt de datum vast vanaf welke, voor een categorie van zorgverleners, bij toepassing van de derdebetalersregeling de gegevensoverdracht aan de verzekeringsinstellingen door middel van een elektronisch netwerk toepasbaar is.
Vanaf de krachtens het derde lid vastgestelde datum, beschikt de zorgverlener over een termijn van twee jaar om de in het tweede lid bedoelde verplichting na te leven.
Het eerste lid blijft van toepassing in het kader van de derdebetalersregeling :
1° voor de krachtens het derde lid vastgestelde datum;
2° tijdens de in het vierde lid bedoelde periode zolang de zorgverlener de in het tweede lid bedoelde verplichting niet heeft nageleefd.
In afwijking van het derde en vierde lid, ontstaat de verplichting bedoeld in het tweede lid op 1 juli 2015 voor de verpleegkundigen.]5
(Tweede lid opgeheven) <W 2008-12-19/51, art. 33, 157; Inwerkingtreding : 10-01-2009>
[5 De verzekeringsinstellingen mogen geen vergoeding toekennen indien het getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering, het als zodanig geldend document of de in het tweede lid bedoelde gegevens, hun niet worden overgezonden.]5
De zorgverlener moet die documenten [5 of gegevens]5 zodra mogelijk, en uiterlijk binnen een door de Koning vastgestelde termijn, overhandigen [5 of overzenden]5. Een administratieve geldboete van 1.000 tot 10.000 frank wordt opgelegd voor elke inbreuk van de zorgverlener op die verplichting.
Indien de overtreder binnen een termijn van drie jaar na de datum waarop hem een administratieve geldboete is opgelegd, een inbreuk pleegt van dezelfde aard als die welke aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een administratieve geldboete, wordt het bedrag van de vroeger opgelegde geldboete telkens verdubbeld.
De Koning bepaalt het bedrag van de administratieve geldboete alsook de procedure voor het vaststellen van de inbreuken en het uitspreken van bovenbedoelde geldboeten.
De opbrengst van die geldboeten wordt gestort aan het Instituut, tak geneeskundige verzorging.
(De Koning kan de voorwaarden en modaliteiten bepalen voor de uitbetaling van de verzekeringstegemoetkoming aan de rechthebbende of zijn vertegenwoordigers. Hij kan hierbij vaststellen welke personen niet als vertegenwoordiger kunnen optreden.) <W 2002-01-14/39, art. 8, 064; Inwerkingtreding : 22-02-2002>
De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Verzekeringscomité, de voorwaarden en regelen vast overeenkomstig welke de derdebetalersregeling voor de door Hem bepaalde geneeskundige verstrekkingen is toegestaan, verboden of verplicht. Elke overeenkomst die afwijkt van de door de Koning ter uitvoering van deze bepaling uitgevaardigde reglementering, is nietig. [5 Bij toepassing van de derdebetalersregeling stelt het Verzekeringscomité de administratieve nadere regels vast betreffende de overdracht van de in het eerste lid bedoelde documenten aan de verzekeringsinstellingen.]5 [1 De Koning kan, onder voorbehoud van de gevallen waarin de toepassing van de derdebetalersregeling verplicht is, tevens de voorwaarden en nadere regels bepalen volgens dewelke aan individuele zorgverleners een verbod wordt opgelegd om de derdebetalersregeling toe te passen.]1 [2 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Verzekeringscomité, voor de geneeskundige verstrekkingen die Hij bepaalt, de derdebetalersregeling afhankelijk maken van de verificatie van de identiteit van de rechthebbende. De Koning [5 …]5 kan hiervoor in uitzonderingen voorzien.]2
[5 Vanaf 1 juli 2015 wordt de verplichting tot toepassing van de derdebetalersregeling ingevoerd ten aanzien van de rechthebbenden op de in artikel 37, § 19, bedoelde verhoogde verzekeringstegemoetkoming, voor de door de Koning bepaalde geneeskundige verstrekkingen verleend door de algemeen geneeskundige, hetzij :
1° op grond van een voorstel van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen die beslist over het doorsturen ervan aan het Verzekeringscomité;
2° op grond van het voorstel dat door de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen wordt geformuleerd op verzoek van de minister; die voorstellen worden meegedeeld aan het Verzekeringscomité;
3° op grond van het voorstel van de minister.]5
De in het [5 veertiende]5 lid, 3°, bedoelde procedure kan worden gevolgd wanneer de voorstellen van de bevoegde overeenkomsten- of akkoordencommissie niet beantwoorden aan de in het in het [5 veertiende]5 lid, 2° bedoelde verzoek vervatte doelstellingen. In dat geval moet de afwijzing van het voorstel van de overeenstemmende overeenkomsten- of akkoordencommissie gemotiveerd zijn.]1
(Lid 9 opgeheven) <W 1998-02–2/43, art. 75, 034; Inwerkingtreding : 13-03-1998>
[5 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het veertiende lid bedoelde verplichting uitbreiden tot andere categorieën van rechthebbenden.
De Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut analyseert, een jaar na de toepassing ervan, de elementen die door de verzekeringsinstellingen meegedeeld worden met betrekking tot de verplichte toepassing van de derdebetalersregeling zoals bedoeld in het veertiende lid. De Dienst preciseert de over te zenden gegevens alsook de nadere regels van hun overdracht.]5
Het is de ziekenfondsen, landsbonden en verzekeringsinstellingen verboden in inrichtingen voor geneeskundige verzorging loketten te laten functioneren waaraan de betaling van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging kan worden verkregen, op welke wijze dan ook.
(De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden vaststellen waaronder, en de gevallen waarin, een betalingsverplichting van de verzekeringstegemoetkoming door de verzekeringsinstelling geldt ten aanzien van bepaalde categorieën van zorgverleners, die het bewijs leveren [2 …]2 dat ze door Hem nader bepaalde identiteits- en verzekerbaarheidsgegevens van de sociaal verzekerden hebben geraadpleegd, en die de derdebetalersregeling hebben toegepast [2 …]2 overeenkomstig de voormelde identiteits- en verzekerbaarheidsgegevens). Deze betalingsverplichting geldt slechts ten aanzien van de zorgverleners die de wets- of verordeningsbepalingen hebben nageleefd; de voornoemde betalingsverplichting ten aanzien van de zorgverleners doet bovendien niets af aan de mogelijkheid om tegemoetkomingen die ten onrechte zouden zijn. verleend, terug te vorderen van de verzekerde, overeenkomstig de bepalingen van artikel 164.) <W 1999-12-24/36, art. 33, 045; Inwerkingtreding : 10-01-2000> <W 2004-12-27/30, art. 59, 101; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
[3 De Koning stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de in het [5 negentiende]5 lid bedoelde betalingsverplichting, door de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden en de Dienst voor de Overzeese Sociale Zekerheid.]3
[4 § 1/1. Voorschotten voor te verlenen of af te leveren geneeskundige verstrekkingen mogen worden ontvangen binnen de grenzen zoals vastgesteld in de overeenkomsten en akkoorden [6 of bij een afzonderlijke beslissing van de overeenkomsten- en akkoordencommissies]6.
[6 De datum van inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde beslissingen wordt bepaald door de betrokken commissie. Deze beslissingen worden bekendgemaakt in de vorm van een bericht in het Belgisch Staatsblad en blijven van toepassing tot een wijzigingsbeslissing wordt genomen.]6
De zorgverleners zijn ertoe gehouden om aan de rechthebbende een ontvangstbewijs uit te reiken in geval van ontvangst van een voorschot.]4
[6 § 1/2. De zorgverleners zijn ertoe gehouden om aan de rechthebbende een bewijsstuk uit te reiken van de verrichte verstrekkingen die aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering, alsmede van de verstrekkingen die geen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering en samen met verstrekkingen die er wel aanleiding toe geven worden verricht :
1° in geval de zorgverlener, naast bedragen voor verstrekkingen die aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering, ook bedragen aanrekent aan de rechthebbende voor verstrekkingen die geen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering;
2° in geval het getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of het in § 1, eerste lid, bedoelde gelijkwaardig document wordt vervangen door een elektronische gegevensoverdracht door de zorgverlener aan de verzekeringsinstelling van de rechthebbende.
Het totaal bedrag te betalen door de rechthebbende voor de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen met inbegrip van de betaalde voorschotten, komen voor op het bewijsstuk.
Als een getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of een in § 1, eerste lid, bedoeld gelijkwaardig document dat het geheel van de vergoedbare verstrekkingen specificeert wordt uitgereikt aan de rechthebbende, bevat het bewijsstuk :
– voor het geheel van de vergoedbare verstrekkingen, het totaal te betalen bedrag, met inbegrip van de eventuele supplementen;
– naast elke niet-vergoedbare verstrekking, vermeld in de vorm van een omschrijving, zijn bedrag.
Als geen getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of een in § 1, eerste lid, bedoeld gelijkwaardig document dat het geheel van de vergoedbare verstrekkingen specificeert wordt uitgereikt aan de rechthebbende, bevat het bewijsstuk :
– apart, naast elke vergoedbare verstrekking, vermeld in de in § 1, eerste lid, bedoelde vorm tenzij de verstrekkingen worden gegroepeerd overeenkomstig de krachtens het zesde lid, 4°, genomen beslissingen, het door de rechthebbende krachtens de tarieven betaalde bedrag, het door de rechthebbende als supplement betaalde bedrag, en, in voorkomend geval, de tegemoetkoming die rechtstreeks wordt aangerekend aan de verzekeringsinstelling;
– naast elke niet-vergoedbare verstrekking, vermeld in de vorm van een omschrijving, zijn bedrag.
Op vraag van de rechthebbende, bevat het bewijsstuk, voor de geneeskundige verstrekkingen en de medische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 33, § 1, eerste lid, 11°, van de wet van 15 december 2013 met betrekking tot medische hulpmiddelen, bepaald door de bevoegde overeenkomsten- of akkoordencommissie, het aankoopbedrag van de door de zorgverlener afgeleverde hulpmiddelen als die het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming van de verplichte verzekering of deel uitmaken van een geneeskundige verstrekking die aanleiding geeft tot een dergelijke tegemoetkoming.
Het Verzekeringscomité kan, op voorstel van de bevoegde overeenkomsten- of akkoordencommissie, of bij ontstentenis van een voorstel als de commissie niet binnen de maand heeft geantwoord op een verzoek tot voorstel van het Verzekeringscomité, na advies van die commissie, dat wordt geacht gunstig te zijn indien het niet is gegeven binnen de termijn van een maand, bij in artikel 22, 11°, bedoelde verordening voor elke categorie van zorgverleners het volgende vaststellen :
1° de overige vermeldingen die voorkomen op het bewijsstuk;
2° de nadere regels volgens dewelke het bewijsstuk wordt uitgereikt aan de rechthebbende;
3° het tijdstip waarop het bewijsstuk wordt uitgereikt aan de rechthebbende indien dit niet het tijdstip is waarop de verstrekking wordt verricht;
4° de nadere regels voor groepering van gelijksoortige verstrekkingen op het bewijsstuk;
5° een model van bewijsstuk evenals de gevallen waarin dit model moet worden gebruikt.
De verplichting om een bewijsstuk uit te reiken wordt opgeheven wanneer een factuur wordt uitgereikt overeenkomstig het tweede tot zesde lid, 1° tot 4°.]6
[4 [6 § 1/3]6. (oud § 1/4.) De Koning kan, voor de personen die, zonder zorgverlener te zijn, verstrekkingen verrichten die aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering, alsmede verstrekkingen die geen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte verzekering en samen met verstrekkingen die er wel aanleiding toe geven worden verricht, alsmede voor de zorgverleners die voormelde verstrekkingen verrichten en waarvoor geen commissie bedoeld in artikel 26 bestaat, maatregelen treffen die de transparantie van de kostprijs van geneeskundige verzorging ten aanzien van de rechthebbende beogen.]4
(§ 2. Het Instituut heeft de uitsluitende verantwoordelijkheid voor het drukken en verdelen van de getuigschriften voor verstrekte hulp bedoeld in § 1 en van de overeenstemmingsstroken, vastgesteld krachtens de artikelen 320 en 321 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De getuigschriften en de stroken worden geleverd op bestelling van de zorgverleners en tegen voorafgaande betaling.) <W 2005-12-27/30, art. 73, 114; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
(§ 3. Het Instituut kan een concessie toekennen voor het beheer van de bestellingen, het drukken en de verdeling van de getuigschriften voor verstrekte hulp en van de overeenstemmingsstroken, evenals voor de inontvangstneming van de betaling.
§ 4. Het Instituut deelt aan de bevoegde dienst van de FOD Financiën de elementen mee betreffende de bestellingen en de leveringen van de getuigschriften voor verstrekte hulp en de overeenstemmingsstroken bedoeld in § 2, die de concessiehouder gehouden is het over te maken.
Zowel het Instituut als de concessiehouder zijn gehouden tot naleving van de wetgeving betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot persoonsgegevens waarvan zij kennis hebben wegens de uitoefening van de opdrachten omschreven in dit artikel.) <W 2005-12-27/30, art. 73, 114; Inwerkingtreding : 20-11-2005>

(NOTA : de wijzigingen aangebracht bij art. 137 van W 2014-12-19/07 en de gedeeltelijke wijzigingen aangebracht bij art. 96 van W 2014-04-10/23 zijn impliciet ingetrokken op 30-06-2015 bij W 2015-07-17/38, art. 2 en 4)
———-
(1)<W 2012-12-27/01, art. 18, 197; Inwerkingtreding : 10-01-2013>
(2)<W 2014-01-29/11, art. 7, 215; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
(3)<W 2014-04-10/23, art. 10, 218; Inwerkingtreding : 10-05-2014>
(4)<W 2014-04-10/23, art. 96, 218; Inwerkingtreding : 01-07-2015. Zie art. 97>
(5)<W 2015-07-17/38, art. 20, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2015>
(6)<W 2015-07-17/38, art. 22, 229; Inwerkingtreding : 01-07-2015>

Download : Wet van 17 juli 2015.pdf

No Comments »

Hartje Brussel, na de gewelddadige straatgevechten in de reusachtige voetgangerszone…

22/08/2015 by admin

In hartje Brussel, na de gewelddadige straatgevechten die er zich tijdens de nacht hebben afgespeeld in de reusachtige voetgangerszone, ligt een gekwetste man op de stenen, omringd door blikjes alcohol, sigarettenpeuken en braaksel.

Het bushokje van de Anspachlaan dient natuurlijk niet meer voor het openbaar vervoer (want dat is er gewoon niet meer…), maar biedt desalniettemin een relatieve schuilplaats aan drugsverslaafden of gewonden van de voetgangerszone van Yvan Mayeur.

Deze foto werd gemaakt op zaterdag 8 augutus 2015 om 9uur ‘s ochtends, nabij het casino VIAGE.

Er dient opgemerkt te worden dat geen enkel lid van de diensten van Stad Brussel het nodig achtte om deze onfortuinlijke hulp te bieden !

© Contre le piétonnier du centre Bruxelles

No Comments »

« Betaald bedrag » of « ontvangstbewijs » ? Een regelrechte kakofonie !

01/08/2015 by Dr R. BOURGUIGNON

De gecoördineerde GVU wet van 14 juli 1994 is van openbare orde en dus van strikte (letterlijke) interpretatie.

In tegenstelling tot wat onze beste collega Dr H. DE RIDDER schrijft in zijn omzendbrief OA 2015/218 van 1 juni 2015 voorziet de wet niet in het vrijmaken van een soort « ontvangstbewijs ruimte » op de oude getuigschriften mod. C of F (zie artikel 53, §1er hieronder weergegeven).

De wet zegt zeer duidelijk : « het bedrag dat door de rechthebbende aan de zorgverlener werd betaald wordt vermeld op het deel ontvangstbewijs van het getuigschrift voor verstrekte hulp. »

Dit « deel ontvangstbewijs » van het GVVH is onbestaande op de oude modellen C en F (die gedurende een overgangsperiode tot eind juni 2016 nog gebruikt mogen worden), de hierboven beoogde verplichting kan dus niet worden toegepast.

Dr DE RIDDER erkent het als hij in de beoogde omzendbrief schrijft : « Tijdens de overgangsperiode kunnen de zorgverleners die geneeskundige verstrekkingen verrichten voor andermans rekening het ontvangen bedrag vermelden (sic) op de oude modellen van de getuigschriften voor verstrekte hulp (deze bevatten immers geen deel ontvangstbewijs). »

Er dient te worden opgemerkt dat de termen « ontvangstbewijs », wat uitsluitend cashontvangsten betekent, en « betaald bedrag », hetgeen alle betalingen behelst (Bancontact, overschrijving, cash, enz.), niet door elkaar gehaald mogen worden ; het vak « KB » betreft uitsluitend de remgelden en niets anders.

Men moet nooit een ontvangstbewijs afleveren aan een patiënt die giraal betaalt (dwz, middels een bankoverschrijving of via een organisme dat kredietkaarten beheert) : er heerst in de wet – en dus in de omzendbrief van Dr DE RIDDER – een vreselijke verwarring tussen de begrippen « betaald bedrag » en « ontvangstbewijs ».

Indien een patiënt de som van 1.000 euro aan erelonen contant betaalt per bankoverschrijving (« betaald bedrag »), zien wij niet in naam van wat men dit « betaald bedrag » zou moeten overnemen in het gedeelte genoemd « ontvangstbewijs », vermits het geenszins cashgelden betreft!

Inderdaad, op fiscaal niveau zouden de gevolgen van deze wetgevende kakofonie verschrikkelijk zijn : de zorgverlener zou het risico lopen twee keer belast te worden op het zelfde bedrag : een eerste keer op de ontvangen inkomsten via zijn bankrekening (giraal) en een tweede keer op basis van het ondegelijk ingevuld « ontvangstbewijs » (dat uitsluitend cashgelden viseert).

De tekst van artikel 53, 1§er zou duidelijk moeten aangeven of het de gevraagde erelonen (onafhankelijk van de betalingswijze) of enkel de cashontvangsten het onderwerp moeten uitmaken van de inscriptie… maar een « betaald bedrag » opnemen in een « ontvangstbewijs » evenaart het groots openzetten van de deur voor zware misverstanden met de Belastingadministratie, die ook geïnteresseerd is door de inhoud van de getuigschriften voor verstrekte hulp.

Het is niet te verantwoorden dat de wetgever en vervolgens het RIZIV niet in staat zouden zijn om het onderscheid te maken tussen deze twee begrippen.

Art. 53. (§ 1.) De zorgverleners van wie de verstrekkingen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verzekering zijn ertoe gehouden aan de rechthebbenden of, bij toepassing van de derdebetalersregeling, aan de verzekeringsinstellingen, een getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of een gelijkwaardig document uit te reiken waarvan het model door het Verzekeringscomité wordt vastgesteld, waarop de verrichte verstrekkingen zijn vermeld; verstrekkingen opgenomen in de in artikel 35, § 1, bedoelde nomenclatuur, worden vermeld met hun rangnummer in de genoemde nomenclatuur (of op de manier die is vastgesteld in een verordening die door het Verzekeringscomité is genomen op voorstel van de volgens de aard van de verstrekkingen bevoegde Technische Raad). [4 Ongeacht of de zorgverlener de verstrekkingen verricht voor eigen of voor andermans rekening, wordt op het deel ontvangstbewijs van het getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of het gelijkwaardig document, het bedrag vermeld dat door de rechthebbende aan de zorgverlener werd betaald voor de verrichte verstrekkingen. Van zodra een overeenkomst of een akkoord een regeling van elektronische facturatie door zorgverleners heeft vastgesteld, stelt de Koning, op voorstel van het Verzekeringscomité en na advies van de bevoegde overeenkomsten- of akkoordencommissie, de bijkomende gegevens vast die door de zorgverleners aan de verzekeringsinstellingen worden overgemaakt.]4 <W 1999-01-25/32, art. 125, 038; Inwerkingtreding : 16-02-1999> <W 2005-12-27/30, art. 73, 114; Inwerkingtreding : 09-01-2006>

Zie : http://www.inami.fgov.be/nl/professionals/informatie-algemeen/informatie-patient-kosten-geneeskundige-verstrekkingen/Paginas/Vereenvoudiging-getuigschrift-ontvangen-bedrag.aspx#.VbujPbcbBuU

Download : Omzendbrief RIZIV.doc

No Comments »

Mijdt het historisch centrum van Brussel !

18/07/2015 by admin

Yvan Mayeur heeft het evenwicht van Brussel verbroken : men maakt voetgangerszones van zeer smalle straten en/of bijzonder commerciële straten en niet van zo’n uitgebreide ruimte als de Anspachlaan.

Daarenboven, deze gigantische voetgangerszone werd niet ontworpen om de symbiose voetganger/fietser/bus te bevorderen, maar in tegendeel om te strijden tegen de auto, vanwaar de gewilde blokkade van de Vijfhoek door ontelbare éénrichtingsstraten en de afleiding van het verkeer naar een intra-Vijfhoek « mini-ring » die helemaal verzadigd is.

En dan zijn we nog volop in de zomer !

Iemand heeft geschreven : « De voetgangerszone is leeg, lelijk en vuil » ; het is er vooral leeg… en de massa kijklustigen, jongeren en allerhande Chinese toeristen die zich aangetrokken voelden — begin juli — door het nieuws en het warme weer zullen weldra plaats ruimen voor rivaliserende bendes en zwervers, alsook voor de talrijke geautoriseerde voertuigen (taxis, diverse leveranciers, diensten, garagehouders, enz).

De niet gemotoriseerde mens die zich in het centrum van Brussel zou willen begeven moet thans het openbaar vervoer nemen tot het Centraal station, en vervolgens… 400 meter lopen !

Wij beklagen de handelaars buiten de HORECA (behalve misschien Delhaize en Carrefour Express van de Anspachlaan die van een zuiver lokaal cliënteel zullen leven, de gevangenen van de « mini-ring ») van het geheel van de Vijfhoek, want hun zakencijfer zal dalen met minstens 30% : geen enkele studie heeft rekening gehouden met de nieuwe — en gevaarlijke — « sfeer » in de voetgangerszone, noch dat een chauffeur zonder probleem één of meer passagiers kan lossen zonder te stoppen in een parking (het is dus technisch gezien transitverkeer terwijl in werkelijkheid één à drie potentiële cliënten zijn uitgestapt).

Wij beklagen vooral het zielig casino Viage waar men al niet meer mocht roken en dat thans niet te bereiken is… ten minste niet « impulsief ». Het is ook triestig om de aanwezigheid van een groothandelaar in wijn te bemerken en van een Brico in deze ruimte waar de auto’s gebannen zijn : hoe moet men zijn aankopen meenemen ?

Gekende ziekenfondsen zijn ook ingekapseld in de voetgangerszone : Partenamut (527), Euromut (509), Partena OZ (526), FMSB (306) en de Mutualité Saint-Michel (135).

De oplossing van het gezond verstand zou eruit bestaan om de voetgangerszone te beperken tot smalle straatjes (de Zuidstraat bijvoorbeeld) en de Anspachlaan alleen tijdens het weekend en de feestdagen tot een voetgangerszone omvormen.

Een andere oplossing zou zijn om het schema van het Anneessensplein te reproduceren : een grote vierkante of rechthoekige voetgangerszone (met tuin ?), maar met de mogelijkheid om er omheen te rijden met de auto ; het Beursplein zou zich uitstekend ertoe schikken, en de mogelijkheid bieden om openluchtconcerten te organiseren.

In de maand juli 2015 zal de voetgangerszone een soort van enorme surrealistische speeltuin geweest zijn, zoals « Brussel-Bad »… zonder het kanaal, maar wel vuil en onveilig.

Men zal zien in september, bij het begin van het schooljaar, hoe sinister het er zal toegaan in het historisch centrum en hoe vastgereden er omheen — tot en met de grote toegangswegen zoals de wetstraat — met op de koop toe de schoolbussen !

© Contre le piétonnier du centre de Bruxelles, Facebook

No Comments »

Nieuw koninklijk besluit « P waarden », nieuwe beroepsprocedure bij de Raad van State…

17/07/2015 by Dr R. BOURGUIGNON en LTH D. HATZKEVICH

Er werd een nieuwe beroepsprocedure bij de Raad van State neergelegd tegen het kersvers koninklijk besluit betreffende de P waarden (zie ons News van 12 juni 2015 met als titel De P waarden zijn terug… of de verplichting voor elke tandarts om uitgebreid verlof te nemen !)

Om de twee jaar wordt dit grotesk plan door de Raad van State afgehouden, of het nu door Laurette getekend is of door Maggie… errare humanum est, perseverare diabolicum !

Download :

Recours CE.doc

Recours CE.pdf

No Comments »

Chronisch zieken en derdebetaler in de tandheelkunde

17/07/2015 by Dr R. BOURGUIGNON en LTH D. HATZKEVICH

De afschaffing van de OIFNS (« financiële noodsituatie ») werd verlegd naar de maand oktober 2015.

Inmiddels is het aantal patiënten dat — zonder OIFNS — recht heeft op derdebetaler in de tandheelkunde sterk gestegen de laatste jaren.

Laat ons even de grote categorieën patiënten opnoemen die in aanmerking komen om gebruik te mogen maken van het stelsel :

a) alle RVV-OMNIO en de personen bij hen ten laste (ongeveer 2 miljoen mensen in België !) : CT1 die eindigt op het cijfer « 1 » ;

b) alle kinderen tot de leeftijd van 18 jaar ;

c) de chronisch zieken : ze hebben recht op derdebetalers « alle verstrekkingen », maar betalen het remgeld van een gewoon verzekerde ; opmerkelijk is dat de RIZIV definitie van « chronisch zieke » niet medisch is maar… financieel* !

d) de dragers van uitzonderingen toegekend door het ziekenfonds (op basis van documenten) : werklozen met een uitkering, rechthebbenden op « leefloon », enz.
_________________
* Het ziekenfonds kent dit statuut automatisch toe :

a) aan patiënten met minimum 300 euro aan gezondheidsuitgaven per trimester gedurende acht opeenvolgende trimesters, deze acht trimesters vormen twee jaar (deze gezondheidsuitgaven behelzen zowel het door het RIZIV terugbetaalde gedeelte alsook het persoonlijk aandeel).

b) aan patiënten die gerechtigd zijn tot het « forfait chronisch zieken ».

No Comments »

Nieuwe getuigschriften mod. C met ontvangstbewijs : hoe tewerk gaan ?

17/07/2015 by Dr R. BOURGUIGNON

VRAAG :

Ik ben een gedeconventioneerd geneesheer-specialist en ik ontving zopas mijn nieuwe getuigschriften voor verstrekte hulp (GVVH) die ik eind juni 2015 besteld heb : deze dragen een afscheurbaar ontvangstbewijs.

Tot hiertoe schreef ik « NEEN » op alle GVVH aangaande de technische verstrekkingen die via derdebetaler ingevoerd werden ; voor de contante raadpleging vroeg ik tussen 35 en 50 euro aan de patiënt, in functie van de gerealiseerde technische handelingen.

Voor deze 35 à 50 euro was er geen ontvangstbewijs (omdat de oude mod. D deze strook niet hadden).

Hoe moet ik voortaan te werk gaan ?

ANTWOORD :

Zoals talrijke geneesheren-specialisten bent u gedeconventioneerd en vraagt u aan de patiënt een soort van « fee package » in contante betaling, meestal via cashgeld ; de technische handelingen worden op hun beurt in derdebetaler gefactureerd.

Dit « fee package » behelst :

– het ereloon voor de raadpleging (inbegrepen haar eigen RG) ;

– De RG van de technische handelingen ;

– een ereloonsupplement dat in principe enkel betrekking heeft op de raadpleging (vermits u gedeconventioneerd bent en u het ereloon van de raadpleging contant ontvangt).

Het is niet verboden om het RG van de technische handelingen te laten vallen (« NEEN » in het vakje KB) en om een ereloonsupplement te vragen voor de raadpleging.

Anderzijds, deze manier van werken kan de patiënt schaden als hij een grote verbruiker is van gezondheidszorgen, in dien mate dat hij niet de overtollige RG zal recupereren die de maximumfactuur (MAF) te boven gaan, vermits u aangegeven hebt dat hij ze niet betaald heeft.

Er moet bovendien vermeden worden dat door het RG van de technische handelingen over te dragen op het ontvangstbewijs van het ereloon men een meervoud bekomt van het RIZIV tarief, dat onverenigbaar is met de bijdragende capaciteit van de patiënt, en dus met de deontologische regels.

Art. 71 van de geneeskundige Deontologische code

De arts moet gematigd en bescheiden zijn bij het vaststellen van het ereloon betreffende zijn prestaties. Binnen deze perken mag hij rekening houden met de belangrijkheid van de geleverde prestaties, de economische toestand van de patiënt, zijn eigen faam en de eventuele bijzondere omstandigheden. Hij weigert niet aan de zieke of diens vertegenwoordigers uitleg te verstrekken omtrent het bedrag van het ereloon betreffende zijn prestaties.

Indien u wenst zal onze Dienst zich belasten met het noteren van het exacte bedrag (tot op de tweede decimaal) van de RG in functie van de leeftijd en van het statuut GV/RVV van de patiënt in het vak « Ontvangstbewijs » van het GVVH — voor zover dat de vermelding « JA » in het KB vak vermeld staat — waarna u een PDF opgestuurd zal krijgen met de detail en het totaal van de RG (met de data en de GVVH nummers).

Wij doen dit al ettelijke jaren en deze RG listings hebben bewijskracht ten aanzien van de fiscale administratie.

Er dient te worden opgemerkt dat het gedeelte « Ontvangstbewijs » uitsluitend dient ingevuld te worden in geval van cashbetaling, zoniet zal de fiscus u twee keer belasten.

Samengevat zijn er dus twee grote opties :

– hetzij verder doen als tevoren (maar met vermelding van het bedrag van de « fee package » in het gedeelte ontvangstbewijs van de raadpleging) ;

– hetzij aan onze Dienst op te dragen om de diverse RG van de ingevoerde technische handelingen in derdebetaler te verrekenen telkens als het woord « JA » in het KB vakje geschreven staat (in geval van de — vrij schaarse — Bancontact, moet u « JA » aangeven en het ontvangstbewijs schrappen).

Er moet een coherentie bestaan tussen de vermeldingen van het vak KB en deze van het ontvangstbewijs :

– « JA » betekent dat alle RG van de codes op het betroffen GVVH ontvangen werden wat doorgaans gepaard gaat met de afgifte van een ontvangstbewijs (tenzij de patiënt anders dan cash betaalt*) ;

– « NEEN » betekent dat alle RG in hun geheel werden vallen gelaten : in het derdebetalerstelsel is het afleveren van een ontvangstbewijs niet van toepassing.

In het — vrij zelden voorkomend — geval dat er een tussenbedrag geïnd werd moet men cijfers optekenen in het KB vak.
_________________________
* … of dat de verstrekking geen RG behelst, in dat geval is het verstandiger om « NEEN » aan te geven.

No Comments »

Nieuwe GVVH vanaf 1 juli 2015 : vragen en antwoorden

19/06/2015 by Dr R. BOURGUIGNON

Vraag 1 : Zal men de oude getuigschriften voor verstrekte hulp mod. C en F nog mogen gebruiken na 30 juni 2015 ?

Antwoord : Ja, en dat gedurende een transitieperiode van zes maand (misschien zelfs een jaar) ; maar, men zal er natuurlijk geen meer kunnen bijbestellen.

Als u niet houdt van ontvangstbewijzen, bestel dan vlug een gepaste voorraad van oude GVVH (FOD volksgezondheid en RIZIV zijn zeer discreet hieromtrent, net om last-minute bestellingen te vermijden !).

Vraag 2 : Hoe moet men het of de RG invullen op de nieuwe GVVH ingebracht via derdebetaler ?

Antwoord : Securimed kan het gedeelte « Ontvangstbewijs » van de nieuwe GVVH invullen volgens uw aanwijzingen (het gemakkelijkst is om uit te gaan van de vermelding in het vak « K.B. 15.07.2002″ : JA/NEEN).

Mocht u het wensen dat wij de waarde van de RG* invullen, berekend tot op de tweede decimaal met onze computers, in functie van de officiële RIZIV tarieven, dan zullen wij dat voor u bewerkstelligen op de GVVH die u ons toevertrouwt.

In alle geval — tenzij u het niet wenst —, zal u via mail een PDF ontvangen met alle RG (die u of wij hebben ingevuld), de nummers van de overeenkomstige GVVH als ook het totaal per dag en per zending.

Deze dienst wordt al jaren aangeboden : zie pagina FORMULES van de website, rubriek Op uw vraag berekent SECURIMED het totaal van de remgelden op uw getuigschriften.

Ter herinnering, als de zorgverlener derdebetaler toepast, verbindt hij zich ertoe om het RIZIV ereloon niet te boven te gaan : het is dus belangrijk om deze beschikking na te komen** !

En tevens moet men erop letten dat de vermeldingen met betrekking tot een welbepaald GVVH enkel voor dat laatste gelden en dus alleen betrekking hebben op de NGV codes dat zij draagt : men mag bijvoorbeeld het ontvangstbewijs van één GVVH niet overdragen op een ander !

Vraag 3 : Moet men, na 30 juni 2015, een deel van de oude GVVH mod. C of F aan een « ontvangstbewijs » koppelen ?

Antwoord : Wij denken van niet, omdat de layout van deze GVVH dat niet toelaat en er geen enkele afscheurbare strook bestaat.

Vraag 4 : Moet (of mag) men in het derdebetalersstelsel het gedeelte « Ontvangstbewijs » afscheuren van het GVVH ?

Antwoord : Het handelt zich over de oude GVVH, en deze vraag heeft al heel wat inkt laten vloeien…

Het algemeen principe is dat de patiënt een kwijting ontvangt (niet noodzakelijkerwijs het gedeelte « Ontvangstbewijs » van het GVVH***), waardoor hij kan weten welke verstrekkingen in rekening gebracht werden en voor welk bedrag.

Deze verplichting bestaat al sinds… 1983 !

Er dient te worden opgemerkt dat de Verzekeringsinstellingen wettelijk bevoegd zijn om hun leden (= uw patiënten) te vertegenwoordigen.

Vraag 5 : Moet het gedeelte « Ontvangstbewijs » ingevuld worden in geval van girale betaling (Bancontact, overschrijving, enz) ?

Antwoord : Zeker niet : het ontvangstbewijs behelst alleen de cashbetalingen.

Aldus zijn uw beroepsinkomens samengesteld uit het totaal van de bedragen op de ontvangstbewijzen opgesomd met de bedragen die gecrediteerd werden op uw rekening tijdens dat boekhoudkundig jaar.

In het derdebetalerstelsel wordt het RG bijna altijd contant**** betaald, terwijl het bedrag lastens de ziekte- en invaliditeitsverzekering via de bank geïnd wordt.
_____________________
* Niet uit het oog verliezen dat de waarde van het RG afhangt van het statuut van de patiënt (RVV vs GV) ; en ook niet het fiscale gedeelte « Ontvangstbewijs » van het getuigschrift verwarren met het vak « KB » dat zich hoger bevindt, en dat uitsluitend de ontvangst – of niet – van het RG betreft (sociaal gegeven dat tussenkomt bij de berekening van de MAF) !
** Niets verplicht de niet geconventioneerde zorgverlener een supplement te vragen voor de raadpleging die contant betaald wordt (in de tandheelkunde gelden er andere regels)…
*** In het regime van de uitgestelde betaling is het trouwens onmogelijk om het gedeelte « Ontvangstbewijs » in te vullen, daar de patiënt niets betaalt op het ogenblik dat het getuigschrift afgeleverd wordt, behoudens het eventuele RG.
**** Het RG kan ook opgegeven worden in welbepaalde verhouding volgens koninklijk besluit.

No Comments »

« Previous Entries Next Entries »