Securimed derde betaler
  • Eerste tariferingsdienst van derde-betaler voor geneesheer-specialisten en tandartsen
  • Nazicht van de verzekerbaarheid van patiënten
  • Juridische bijstand in geval van vervolging door de DGEC (Dienst voor Geneeskundige Controle van het RIZIV)
  • Opvolging van betalingen door de VI

« Vermoeden op basis van vermoeden kan niet » of het groot dilemma van Mr. Kurz

06/02/2014 by Dr R. BOURGUIGNON

We hebben gezien dat sinds 7 mei 2013 de Raad van State de « extrapolatiemethode » zoals ze decennialang toegepast werd door de DGEC onvoorwaardelijk verwerpt.

Deze verwerping komt zeer laat en dus werden honderde zorgverleners op basis van deze methode, waarvan men vandaag weet dat ze « onwettig » is, definitief veroordeeld door de rechtscolleges van het RIZIV, en dat zowel langs Nederlandstalige als Franstalige kant.

We hebben ook gezien dat Robert D., de zorgverlener die aan de basis ligt van het arrest van de Raad van State van 7 mei 2013, voor de derde keer (na twee administratieve cassaties) verschenen is voor de Kamer van beroep van het RIZIV, ditmaal voorgezeten door Mr. Frédéric Kurz.

We hebben over de hoorzitting in kwestie verslag uitgebracht in ons News met de titel Het « proces van de extrapolatie » heeft heden 12 december 2013 plaatsgevonden.

Er valt een zeker onbehagen te bespeuren, in dien mate dat men zeer goed kan aanvoelen dat en de DGEC, en het rechtscollege zelf, naar een manier zoeken om het arrest van de Raad van State te kunnen omzeilen.

Deze zoektocht is niet noodzakelijkerwijs onwettig : het spreekt voor zich dat het ondervragen van honderde patiënten onmogelijk is, en dat de huidige situatie zou kunnen uitmonden in een quasi volledige straffeloosheid voor wat betreft bepaalde frauduleuze technieken.

En dat is de reden waarom zowel Onkelinx alsook de DGEC de draagwijdte van het arrest van 7 mei 2013 minimaliseren.

Maar er bestaat spijtig genoeg geen enkel volwaardig substituut voor de « methode van extrapolatie », zelfs toegepast in goede statistische omstandigheden (hetgeen ook de tussenkomst van een statisticus vereist en de afwezigheid van bias in de selectie).

Aldus tracht de DGEC het te doen via de weg van « gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens » uit artikel 1353 van het Burgerlijk wetboek.

In zijn tussenvonnis heeft de voorzitter van de Kamer van beroep « de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle uitgenodigd om tegen (datum…) bij het proceduredossier een vergelijkende tabel te voegen van geattesteerde verstrekkingen door appellant enerzijds, en door het gemiddelde van het geheel aan licentiaten in de tandheelkundige wetenschappen anderzijds, voor de subgingivale tandsteen, en dit voor de betwiste periode » en beveelt hij de heropening van de debatten op 3 april.

Het idee komt van de man die wij de « bebaarde bijzitter » genoemd hebben, een tandarts die zou willen aantonen dat de 288 gingivectomieën geattesteerd door Robert D. in 1988 in werkelijkheid niet meer dan subgingivale tandsteenreinigingen waren… met het motief dat hij geen (of zeer weinig) dergelijke tandsteenreinigingen geattesteerd zou hebben.

Of juister nog, het zou hier om een bijkomend vermoeden handelen, dat zich bij de andere vermoedens zou voegen (hoog zakencijfer, verhoor van een patiëntensteekproef, bekentenissen van zijn medewerkers, enz) om een bundel vermoedens uit artikel 1353 samen te stellen.

Echter, de « bebaarde bijzitter » voerde zijn redenering niet ten einde…

Laat ons aannemen dat Robert D. al bij al twee tandsteenreinigingen geattesteerd zou hebben in 1988 terwijl het « gemiddelde » bij veertig zou liggen : welke juridische gevolgtrekkingen kan men afleiden uit deze gegevens ?

Zal men alle gingivectomieën als ten onrechte aangerekend beschouwen ? of enkel 250 (288 min 38) ervan ? of 10% ? 25% ? … of nog een ander aantal ?

Er is geen objectieve basis meer voor een veroordeling, gewoonweg bij gebrek aan enig meetinstrument voor de inbreuk (de gederiveerde extrapolatiecoëfficient van de analyse van de steekproef).

Het Burgerlijk wetboek laat niet toe om het vermoeden van een feit (Robert D. heeft valselijk gingivetomieën geattesteerd) te laten berusten op een ander vermoeden van een feit (Robert D. kan worden verwisseld met de gemiddelde tandarts) : de uitdrukking « vermoeden op basis van vermoeden kan niet » is hier op zijn plaats.

Aldus is het eerste vermoeden dat Robert D. evenveel subgingivale tandsteenverwijderingen gerealiseerd zou hebben als de gemiddelde tandarts.

Dat is inderdaad maar een gewoon vermoeden betreffende de mens, want als « baas » kon Robert D. bijvoorbeeld deze vrij banale behandeling perfect aan zijn medewerkers delegeren, Mevrouw A. en Meneer N.

Het tweede vermoeden, berustend op het eerste, is dat een deel van de geattesteerde gingivectomieën niet uitgevoerd zou zijn omdat ze in werkelijkheid de tandsteenreinigngen waren die hierboven, in het eerste vermoeden, beschouwd werden.

Een dergelijke redenering is gewoonweg ontoelaatbaar op juridisch vlak – alleszins bij gebrek aan een wettelijk kader – en M. Kurz weet dat zeer goed : inderdaad, hoe kan hij zijn beslissing motiveren als hij hem niet laat berusten op een bundel vermoedens, maar op een vermoeden dat zelf berust op een ander vermoeden ?

Vanwaar het grote dilemma, want de rechtspraak zal ongenadig zijn : moet men een vermeende schuldige vrijspreken en zodoende een enorme bres slaan in het geneeskundig controlemechanisme of zal men met minachting van het recht toch overgaan tot een veroordeling…

Download : Tussenvonnis.pdf

No Comments »